Rhinopneumonie

Equine Herpesvirus type 1 of rhinopneumonie

Laboratorium voor Virologie, Vakgroep Virologie, Parasitologie en Immunologie
Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent
Salisburylaan 133, 9280 Merelbeke, België
Contactpersonen: Prof. Dr. H.J. Nauwynck, 09/2647373, hans.nauwynck@ugent.be
Dr. G. Van de Walle, 09/2647375, gerlinde.vandewalle@ugent.be
Dierenarts A. Gryspeerdt, 09/2647371, annick.gryspeerdt@ugent.be
Dierenarts A. Vandekerckhove, 09/2647371, annelies.vandekerckhove@ugent.be

1. Pathogenese en Symptomen

Rhinopneumonie of EHV-1 komt veralgemeend voor in een paardenpopulatie. EHV-1 is een ademhalingsvirus, infectie gebeurt dus door inhalatie of door contact met besmette secreties. EHV-1 kan slechts over korte afstand door de lucht spreiden, dit in tegenstelling tot het griepvirus. Het kan wel overgedragen worden door de mens of materiaal (staldeur, stro).
Virusvermeerdering in het ademhalingsstelsel kan beperkt of uitgebreid zijn en kan gepaard gaan met koorts, verlies van eetlust, opzetting van de lymfeknopen, oogvloei en heldere tot slijmerige, geelgroene neusvloei. Hierna komt het virus terecht in het bloed, waar het zich in de witte bloedcellen bevindt. Virusvermeerdering in de bloedvaten ter hoogte van de drachtige baarmoeder en nadien in de foetus leidt tot abortus of de geboorte van een zwak veulen, dat meestal binnen de 3 dagen zal sterven. Typisch treedt abortus op tijdens de laatste 4 maanden van de dracht. Virusvermeerdering in de bloedvaten ter hoogte van het zenuwstelsel kan leiden tot verlammingsverschijnselen en zenuwsymptomen. De symptomen variëren van lichte achterhandincoördinatie tot ernstige paralyse. Soms worden ook nog
oedeem van de ledematen, oedeem van de testes, paralyse van de staart, penisprolaps en incontinentie gezien.

2. Behandeling

Behandeling voor rhinopneumonie is symptomatisch. Ondersteunende therapie met vocht, onststekingsremmers en antibiotica kunnen verlichting bieden. Het manueel ledigen van het rectum en blaaskatherisatie kunnen nodig zijn bij paralyse. Paarden met milde neurologische symptomen kunnen volledig herstellen. Voor paarden die gedurende 24 uren niet kunnen staan, is de prognose echter slecht. Deze dieren worden beter geëuthanaseerd omdat ze nooit volledig herstellen.

3. Preventie

3.1. Vaccinatie
Door vaccinatie wordt de virusuitscheiding beperkt zowel in duur als in hoeveelheid. Dus de infectiedruk op het bedrijf wordt sterk verlaagd. Ademhalingsstoornissen worden sterk onderdrukt. Vaccinatie biedt geen volledige bescherming tegenover abortus. Het effect van vaccinatie op het optreden van zenuwstoornissen is nog niet onderzocht.
Vaccineren geeft dus geen 100% garantie op het verhinderen van symptomen door rhinopneumonie, maar geeft wel een vermindering van symptomen en een sterke
vermindering van het spreiden van het virus naar andere paarden. 3.2. Management Door management kan voorkomen worden dat het virus binnenkomt op een bedrijf. Ook kan de spreiding van het virus binnen een bedrijf beperkt worden. Een bedrijf met een rhinopneumonie uitbraak wordt best volledig afgesloten tot en met drie weken na het laatste koortsgeval.
Fokmerries moeten apart gehouden worden van de overige paarden. Drachtige en nietdrachtige merries worden in aparte groepen gehouden. Gespeende veulens en jaarlingen moeten strikt gescheiden worden van drachtige merries. Het zijn immers deze dieren die bij een primaire infectie massaal virus gaan uitscheiden en dus een belangrijke infectiebron vormen. Sportpaarden mogen geen contact hebben met fokmerries. Deze dieren gaan immers frequent op verplaatsing en kunnen dus het virus binnenbrengen op een bedrijf.

4. Diagnose

In het geval van abortus wordt virus ge?Øsoleerd uit de long, thymus en milt van het veulen. Deze organen worden gekoeld opgestuurd en zo snel mogelijk bezorgd. Bloed nemen van de merrie om het gehalte aan antistoffen te laten bepalen heeft geen nut omdat dergelijke dieren meestal tgv de abortus antistoffen hebben opgebouwd.
Van een paard met zenuwsymptomen kan best bloed genomen worden op heparine of EDTA.
Het bloedstaal moet zo kort mogelijk na het onstaan van de symptomen genomen worden en moet zo snel mogelijk naar het labo gestuurd worden. Het mag nooit ingevroren worden. Voor verdere vragen kan u zich richten tot annick.gryspeerdt@ugent.be Tekst: Dr. A. Gryspeerdt